SGLA over contract Warmtenet

Aan de Gemeenteraad van Amersfoort

Betreft:  Intentieverklaring met Warmtebedrijf Amersfoort

Amersfoort, 9 januari 2020

Het ongewenste gebruik van biomassa

De Amersfoortse gemeenteraad heeft zich uitgesproken tegen het gebruik van biomassa voor stadsverwarming. De intentieverklaring met het Warmtebedrijf Amersfoort leidt echter tot een tegengestelde ontwikkeling. Het idee dat na de ingebruikname van het warmtenet op basis van biomassa binnen afzienbare termijn kan worden overgestapt op geotechniek of andere alternatieven, is niet realistisch – onderzoek moet nog op gang komen. De zogenaamd tijdelijke investeringen voor biomassacentrales staan een grondstofconversie op korte termijn in de weg. Onder meer de subsidievoorwaarden binden de stad voor tenminste twaalf jaar aan het stoken van biomassa. De gemeenteraad doet er verstandig aan om op basis van artikel 3.2 (verplichtingsvrije tussentijdse beëindiging) in de inmiddels getekende intentieverklaring de door het college ingeslagen weg te beëindigen.

Op 14 januari bespreekt u informatief deze intentieverklaring. De SGLA vraagt de Gemeenteraad dringend om kennis te nemen van onze brief en de door het college ingeslagen weg met betrekking tot het gebruik van biomassa stop te zetten.

Inleiding

Op 8 oktober werd de Amersfoortse gemeenteraad geïnformeerd over de stand van zaken en het toekomstbeeld rondom het voor Amersfoort beoogde warmtenet. In april 2019 was door de verantwoordelijke wethouder aangekondigd dat rond 15 mei het wijkwarmteplan voor Schothorst-Zuid, een pilotproject, zou worden gepresenteerd. Rond die datum ontving de gemeenteraad een brief van het college. Hierin werd meegedeeld dat het onderzoek naar aanleg, exploitatie en financiering van het beoogde warmtenet in Schothorst-Zuid nog niet was afgerond en het college nog in overleg was met verschillende mogelijke exploitanten. De toegezegde informatie werd verdaagd tot na het reces.

Op 8 oktober werd de toegezegde informatie aan de raad verstrekt. Deze betrof overigens nog geen wijkwarmteplan, het onderzoek hiervoor was nog niet voltooid. Desondanks was de raadsbijeenkomst zinvol omdat veel relevante informatie werd verstrekt. De belangrijkste was dat het college blijft streven naar het winnen van warm water door middel van geotechniek. Biomassa wordt niet gezien als de gewenste oplossing. Deze opvatting komt overeen met de eerder geuite wensen binnen de gemeenteraad. Een essentieel probleem was en is het feit dat er nog geen antwoord kan worden gegeven op de vraag of en hoe het warm water vanaf een diepte van tenminste 2.000 meter moet worden gewonnen. Het afgelopen najaar 2019 heeft er, op initiatief van EZ, aan de oostrand van Amersfoort seismisch onderzoek plaatsgevonden. De resultaten hiervan zijn nog niet bekend. Omdat geotechniek nog niet kan worden toegepast, zet het college voorlopig in op een op biomassa gestookt warmtenet.

Voor de helft van de ca. 65.000 woningen in Amersfoort wordt een aansluiting op het warmtenet

voorzien. Amersfoort beschikt al over één warmtenet van relevante grootte: Vathorst-Laak waar 1.750 woningen door middel van een gasturbine van stadswarmte worden voorzien. Het college gaat er van uit dat voor het aansluiten van ruim 30.000 woningen en de bouw van een of meer biomassacentrales een investering van € 450 miljoen noodzakelijk is.

Volledigheidshalve wijzen wij de gemeenteraad erop dat naast verwarmen tevens het koelen van woningen betrokken dient te worden bij visie- en besluitvorming over de energietransitie in relatie tot woningen. Iedere oplossing die alleen verwarming levert, bevat het risico op extra kosten en (dubbel) energieverbruik, omdat voor koelen dat een separate installatie nodig is. Als gevolg van klimaatverandering en betere isolatie wordt koeling van huizen steeds belangrijker.

Biomassa

Biomassa stoken is een oplossing uit het verleden. Deze conclusie is te trekken uit de toenemende kritiek op het stoken van hout als alternatief voor gas. In oktober 2019 baarde een Europese koepel van wetenschappers veel opzien met de constatering dat het stoken van hout in centrales en huishoudens meer uitstoot van CO2 oplevert dan het gebruik van gas en zelfs van steenkool. Hierbij speelt de relatieve geringe effectiviteit van het stoken van hout een rol. De tot nog toe door velen geuite opvatting dat gekapte bomen door nieuwe aanplant worden gecompenseerd, blijkt een drogreden te zijn: het duurt ten minste tien jaren eer een nieuwe boom voldoende vervangende waarde opgeleverd.

Vaak wordt gesuggereerd dat een biomassacentrale verantwoord is omdat hierin afvalhout wordt verwerkt. Daarbij wordt uit het oog verloren dat de op dit moment geplande verstoking van biomassa niet kan worden afgedekt door (regionaal) afvalhout. Er is nog geen sprake van levercontracten van regionaal (afval)hout voor een langere periode. Import van buiten de regio, nationaal of internationaal is noodzakelijk.

  

Een voorbeeld maakt dit duidelijk waar de toenemende behoefte voor een warmtenet in Amersfoort toe leidt. Er moet uiteindelijk rekening worden gehouden met warmtelevering door vier of vijf centrales van het formaat dat het Warmtebedrijf Amersfoort thans heeft geïntroduceerd. Deze moeten een capaciteit hebben van ongeveer de helft van de toekomstige e-centrale van Vattenfall bij Diemen, na ombouwen van fossiele brandstof naar biomassa. De biomassa voor deze centrale wordt aangevoerd uit Scandinavië en Canada (mondiaal gezien maakt het niet uit waar het hout wordt gekapt, we maken ons ook druk om de kap in Brazilië en andere landen). Om deze centrale draaiend te houden moet er per jaar een oppervlakte worden gekapt die overeenkomt met de oppervlakte van ongeveer 18.000 voetbalvelden. Ook de helft hiervan kan niet gedekt door regionaal (rest)hout!

Wij vinden het ongewenst om afsluiten van het gas te compenseren met biomassa. Beter is het om de zoektocht naar de toepassing van geotechniek te versnellen en daarbij enkele jaren vertraging in de energietransitie voor lief te nemen. Toch lijkt het er op dat het Amersfoortse gemeentebestuur bereid is om de intentie om via geotechniek op CO2-arme manier Amersfoort gasvrij te maken, tijdelijk in te wisselen voor het toepassen van biomassa. Het etiket ‘tijdelijk’ is daarbij relatief. Het aanleggen van een warmtenet inclusief de daarvoor noodzakelijk warmteopwekking vergt een omvangrijke investering. Deze kan, zonder de kans op grootschalige kapitaalvernietiging, niet na enkele jaren worden gemuteerd in een andere technische oplossing.

Onlangs heeft het Warmtebedrijf Amersfoort – een private onderneming – zich aangemeld als partner. Om te voldoen aan in het verleden gedane, maar in de praktijk niet te realiseren, beslissingen lijkt het college bereid thans deze toegeworpen reddingsboei te grijpen. Een risicovol initiatief want Warmtebedrijf Amersfoort wil biomassa verstoken.

Intentieverklaring

In november 2019 tekende college van B&W van Amersfoort een intentieverklaring met het Warmtebedrijf Amersfoort. Inhoud van de intentieverklaring is: ‘onderzoeken wat de mogelijkheden, wenselijkheid en haalbaarheid zijn om samen te werken aan de realisering van warmtenetten in de gemeente Amersfoort met Warmtebedrijf Amersfoort.’ Primair doel is het werken aan de uitvoering van de Warmtevisie en, als eerste stap daarbij, de uitwerking van een pilotproject in Schothorst-Zuid.

Uit de overwegingen in de overeenkomst kan worden opgemaakt dat het college er van uitgaat dat het Warmtebedrijf de exploitant wordt voor het warmtenet in de stad (zie bijvoorbeeld overweging E in de overeenkomst). Wel wordt in overweging G aangekondigd dat de gemeente ook met andere marktpartijen in gesprek is en kan gaan samenwerken bij de realisatie van de warmtetransitie in de stad.

In artikel 3.2 van de overeenkomst is vastgelegd dat contractpartijen op basis van (eenzijdige?) moverende redenen per direct en zonder schadevergoedingsverplichtingen de intentieverklaring kunnen beëindigen. De intentieverklaring eindigt overigens op 1 september 2020 en kan niet stilzwijgend worden verlengd. Omdat in artikel 2.5 wordt bepaald dat gedurende het onderzoek beide partijen hun eigen kosten dragen, vormt de overeenkomst, mede door de ongeclausuleerde opzeggingsmogelijkheid, een onzeker avontuur voor het Warmtebedrijf. Een avontuur dat menig ander bedrijf op deze wijze niet zal willen aangaan.

In de intentieovereenkomst verplicht de gemeente zich om de mogelijkheden te onderzoeken om risicodragend deel te nemen in het Warmtebedrijf. Uit eerdere informatie vanuit het Warmtebedrijf blijkt dat deze hieraan de voorkeur geeft. Overigens heeft de gemeente al eerder aangegeven dat het ontwikkelen van een warmtenet in Amersfoort een investering vergt van € 450 miljoen. Ervaringen elders wijzen er op dat dit bedrag als een minimum kan worden gezien.

Het onderzoek moet duidelijk maken of er overeenstemming bereikt kan worden over participatie van inwoners, vrijwilligheid van deelnemers, leveringszekerheid en betaalbaarheid, toegang van andere warmteleveranciers en duurzaamheid van het warmtenet.

In de intentieovereenkomst wordt benadrukt dat de gemeentelijke voorkeur uitgaat naar warmte op basis van geothermie (artikel 2.4). Een warmtenet op basis van biomassa ziet de gemeente als een tijdelijke overgangsoplossing. In de overeenkomst wordt niet ingegaan wie van de twee partijen de versnelde afschrijving op investeringen voor een of meer biomassacentrales en dergelijke moet bekostigen indien het gemeentebestuur een besluit neemt om over te stappen op geothermische warmwaterlevering.

In artikel 2.6 wordt bepaald dat in het eerste kwartaal 2020 een balans wordt opgemaakt over de voortgang van het onderzoek en eventuele vervolgstappen voor Schothorst-Zuid. Deze termijn zou te kort kunnen zijn. Op dat moment kunnen mogelijke onduidelijkheden rondom de intentieverklaring worden opgelost. Zo spreekt het Warmtebedrijf in een verklaring, opgesteld na het tekenen van de intentieverklaring, over een samenwerkingsovereenkomst. Dat is meer dan een nuanceverschil!

In het collegevoorstel betreffende de intentieverklaring wordt als beoogd effect gesteld dat door de  intentieverklaring een concrete uitwerking voor een warmtenet in Schothorst-Zuid bespreekbaar wordt gemaakt. Deze uitwerking kan, aldus het college, mogelijk benut worden om in 2020 een aanvraag te doen voor het rijkssubsidieprogramma. Intussen heeft Duurzaam Opwekken Amersfoort B.V. (Warmtebedrijf Amersfoort) bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (EZ) twee projectsubsidies aangevraagd, elk van € 34.164.000. Deze zijn nog niet gerealiseerd.

Visie Warmtebedrijf na ondertekening

Na ondertekening van de intentieovereenkomst werd in de Amersfoortse Courant (14 december 2019) een uitgebreid interview gepubliceerd met de directie van het Warmtebedrijf Amersfoort. Het interview verduidelijkt een aantal intenties van het Warmtebedrijf en zijn relatie met de gemeente. Hieruit blijkt dat Amersfoort het Warmtebedrijf al vergunningen heeft verstrekt voor de bouw van twee biomassacentrales: een op de Isselt (naar is aan te nemen voor de warmtelevering in Schothorst-Zuid) en een in De Hoef. Er wordt uitgegaan van een hoge-temperatuur waterlevering. De intentie is om de komende zomer een plan van aanpak te presenteren. De biomassacentrales worden gestookt met gecertificeerd hout uit de regio. Op het warmtenet worden alleen woningen aangesloten van bewoners die vrijwillig willen meedoen.

Inmiddels zijn er al vergunningen verleend c.q. in aanvraag voor vijf (!) biomassacentrales:

De opmerkingen in het interview leveren vragen op. Vrijwillige aansluiting op het warmtenet is een risicopunt voor het warmtebedrijf, een onzekere factor dus voor een op te stellen businessplan. Alvorens investeringen te plegen (de uitgavenkant), moet voldoende duidelijkheid zijn over het aantal afnemers (de inkomstenkant). Hiervoor is voorafgaand onderzoek nodig. Dergelijk onderzoek is pas zinvol indien potentiele afnemers inzicht kan worden geboden in de kosten. Op dit punt hangt alles met elkaar samen!

Uit het interview is niet op te maken of het college van B&W naast de getekende intentieverklaring, nog andere schriftelijke of mondelinge afspraken of toezeggingen met het Warmtebedrijf heeft gemaakt.

Tijdpad

Uit het interview, maar ook uit de intentieverklaring, blijkt dat het voornemen van het college om in 2030 Amersfoort een gasvrije stad te laten zijn, niet meer dan utopisch is. Mede gezien de financiële consequenties en de vraag of de gemeente überhaupt kan en wil participeren in het Warmtebedrijf, is een uitspraak van de Gemeenteraad over het plan van aanpak noodzakelijk. Pas daarna kan de gemeente zich binden en kunnen de voorgenomen intenties technisch worden uitgewerkt. Dit moet leiden tot bestekken voor centrales en het net waardoor inzicht op de financiële consequenties ontstaat. Feitelijk kunnen dan pas bouwvergunningen en overige formaliteiten worden afgerond. Bestemmingsplannen en aanbestedingsregels kunnen tot extra tijdverlies leiden.

De aanleg van het warmtenet en bouw van de biomassacentrale in De Isselt kan naar alle waarschijnlijkheid pas in 2021 plaatsvinden. Schothorst-Zuid is een pilotproject. Planvorming, draagvlakonderzoek en het opstellen van financiële randwaarden voor volgende wijken in de stad kunnen pas op verantwoorde wijze plaatsvinden nadat de ontwikkeling van de pilot in een gevorderd stadium verkeerd. Dit zal naar alle waarschijnlijkheid in de tweede helft van 2021 het geval zijn. Rekening houdend met het feit dat er acht jaar voorafgaand aan de afkoppeling van het gasnet een bestuurlijk besluit moet zijn genomen (dat dusdanig is dat beroepsmogelijkheden mogelijk zijn), kan op technische gronden het politieke besluit voor een gasvrij Amersfoort in 2030 nauwelijks realiseerbaar genoemd worden.

Namens

Samenwerkende Groeperingen Leefbaar Amersfoort

Raphael Smit (vicevoorzitter)

Peter de Langen (voorzitter) 

SGLA Reactie op de vraagstukken Omgevingsvisie 2019

Aan

Gemeenteraad van Amersfoort

College van B&W van Amersfoort

Amersfoort, 4 december 2019

Betreft: Reactie op de vraagstukken Omgevingsvisie

Geacht Gemeenteraadsleden en College,

Wij willen u onze reactie geven op het proces rond de Omgevingsvisie en de vraagstukken zoals u deze heeft geformuleerd.

Proces

Wij hebben waardering voor de wijze waarop u op diverse manieren de stad heeft betrokken bij het proces voor het opstellen van de omgevingsvisie. Wij hebben geconstateerd dat de avonden redelijk goed bezocht zijn, zeker voor een beleidsproces in deze fase. Dat geeft aan dat de stad juist ook in een beginfase betrokken kan en moet worden.

Een kanttekening willen wij wel plaatsen. Wij vinden dat er op de avonden wel behoorlijk sturing is gegeven. Zo is in de inleiding al stelling genomen over het thema én is er een opgave geformuleerd. De vraagstelling die daaruit is voort gekomen, was al sturend in een bepaalde richting. Wij zijn van mening dat er een meer open proces op de inhoud had mogen plaatsvinden. Wij zullen daarom in onze reactie uitvoerig ingaan op de inleidingen bij de vraagstukken, de opgaven én de vraagstukken zelf.

Wij constateren ook dat de vragen die in de stadsgesprekken zijn voorgelegd verschillen van de vraagstelling in het document. Vraagstukken betreffende de Omgevingsvisie (hierna te noemen het document)

Tot slot wijzen wij op gesprekken die wij hierover ambtelijk hebben gehad en op onze notitie over het te voeren proces. Wij moeten helaas constateren dat dit niet heeft geleid tot een proces zoals wij ons dat hadden voorgesteld.

Zie: http://www.sgla.nl/actueel/414-startnotitie-omgevingsvisie-2

We waarderen het gegeven dat de Omgevingswet wordt aangegrepen om de dienstverlening door de gemeente aan de stad tegen het licht te houden. Volgens de SGLA is procedureel, betreffende betekenisvolle interactie met burgers en inhoudelijk, waar het om weging van belangen gaat, nog veel te winnen. Wij geven u ter overweging de tijd tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet te benutten voor het verder verbeteren  van de kwaliteit van de dienstverlening. Ook na de inwerkingtreding verwachten wij dat aandacht voor continue verbetering van de dienstverlening waarde zal hebben.

Wij zijn van mening dat een korte cyclus, 4 jaar, voor belangrijke instrumenten als een Omgevingsvisie, doorlopen met een hoge mate van participatie, het meest efficient zal zijn vanwege de aansluiting bij de belevingswereld van de stad en de bijdrage aan het versterken van de maatschappelijke betrokkenheid en organisatie. Dit betekent wat ons betreft niet alleen een continue monitoring en regelmatige evaluatie, maar ook meetbare doelen en een visiehorizon die binnen 4 jaar gerealiseerd kan worden. Continue monitoring faciliteert onderlinge weging van ruimtelijke belangen op basis van feiten, niet meningen. Continue bijsturing maakt het proces rondom de omgevingsvisie robuust. Samen dragen deze er aan bij dat aantoonbaar voor alle ruimtelijke problemen naar een oplossing wordt toe gewerkt.

Daarnaast geven wij u ter overweging de scope van uw verdere participatie bij de totstandkoming van de omgevingsvisie, en toekomstige aanpassingen daaraan, te vergroten van ‘bewoners van Amersfoort’ naar ‘aanwzigen in de stad Amersfoort’. Amersfoort heeft als stad een regionale functie, waarbij Amerfoort tevens voorziet in de behoeften van bewoners van omliggende gemeenten. Elementen van onze gemeente hebben zelfs een nationale functie (OLV-toren, Defensieterreinen, hub-functie station Amersfoort, verdeelfunctie knooppunt Hoevelaken). Het duurzaam voorzien in deze behoeften zou volgens ons tevens onderdeel moeten zijn van de omgevingsvisie, vanwege de ruimtelijke impact van de betrokken voorzieningen.

Inhoud (wij volgen het document)

  1. Identiteit

Bij dit onderwerp wordt uitgegaan van de stelling: “Omdat Amersfoort zo aantrekkelijk is groeit de stad: meer inwoners vragen om meer woningen, meer werk, meer voorzieningen, meer openbare ruimte, meer groen en meer mobiliteit.”

Naar onze mening zou eerst de vraag aan de stad moeten worden voorgelegd óf we willen groeien én tot hoeveel inwoners we willen groeien. Tot nu toe zijn dit vragen die niet of onvoldoende in de verkiezingsprogramma’s hebben gestaan en alleen vanuit regionale visies aan de orde zijn geweest. En juist die regionale visie is niet aan inspraak onderhevig geweest.

Wij missen vooral de vraag aan welke randvoorwaarden moet worden voldaan om te kunnen groeien.

Opmerkelijk is dat bij dit onderwerp tijdens de stadsgesprekken gevraagd werd om een prioriteitenlijstje in te vullen met als vraag: “Prioriteer de kwaliteiten van Amersfoort: Hoe kunnen we de groei benutten om de identiteit van de stad te behouden/verrijken? “  Een nogal sturende vraag, vinden wij.

Wij constateren wel dat uit de stadsgesprekken als prioriteit wordt gegeven: Een gezonde, groene en duurzame stad. Wij zijn het hier van harte mee eens. Juist aan deze onderwerpen zal de komende tijd meer prioriteit gegeven moeten worden in plaats van aan eindeloze groei.

De vragen die u bij dit onderwerp stelt zijn:

  • Hoe kunnen we inzetten op gezondheid, groen en duurzaamheid en tegelijkertijd zorgen voor voldoende woningen, werk en bereikbaarheid? 
  • Hoe kunnen we groeien en tegelijkertijd het intieme karakter vasthouden en de leefbaarheid vergroten? 
  • Hoe kunnen we de groei van Amersfoort benutten voor het bevorderen van ontmoeting, levendigheid, inclusiviteit en diversiteit in de wijken?

Deze vragen lijken een tegenstelling op te roepen. De SGLA ziet deze vragen graag geherformuleerd waarbij gezondheid, groen en duurzaamheid leidend zijn:

  • Hoe kunnen we gezondheid, groen en duurzaamheid inzetten om te komen tot aantrekkelijke woonruimten, voldoende werk en bereikbaarheid.
  • Hoe kunnen we door in te zetten op gezondheid, groen en duurzaamheid het karakter van Amersfoort vasthouden en de leefbaarheid vergroten.
  • Hoe kunnen we gezondheid, groen en duurzaamheid inzetten voor het bevorderen van ontmoeting. Levendigheid, inclusiviteit en diversiteit.

Wij zijn van mening dat niet alles tegelijk mogelijk is en dat de prioriteit zou moeten liggen bij het investeren in een gezonde, groene en duurzame stad waarbij, groei niet een doel op zich is. Wij missen in het document een analyse van welke aspecten onze stad aantrekkelijk maken en welke maatregelen genomen kunnen worden om die aantrekkelijkheid van de stad te behouden.

  1. Wonen

Bij dit onderwerp wordt nog verder stelling genomen. Er wordt aangegeven dat er 1.000 woningen per jaar gebouwd moeten worden. Ook hier wordt de mening vanuit de stad niet gevraagd. Opmerkelijk is dat bij de vraagstelling tijdens de stadsgesprekken de nadruk werd gelegd op:

Vraag 1: Wanneer zou een appartement voor jullie een aantrekkelijke woning zijn? En wanneer niet?

Vraag 2: Moeten er behalve in Vathorst ook op andere plekken gezinswoningen komen?

Terwijl de vraagstelling in het document is:

  • Hoe kunnen we een stad zijn voor iedereen waarin we voldoende betaalbare en passende woningen bouwen voor mensen die een woning zoeken, waarin de mensen die er al wonen hun woongenot behouden en waarin we goed omgaan met de schaarse ruimte binnen en buiten de stad?
  • (Hoe) kunnen we doorstroming bevorderen zodat er woningen beschikbaar komen voor starters en gezinnen?
  • Hoe zorgen we ervoor dat gebouwen dusdanig flexibel ontworpen worden dat ze afhankelijk van toekomstige wensen aangepast kunnen worden? 
  • Hoe zorgen we voor een goed (gespreide) huisvesting van kwetsbare groepen, rekening houdend met voorzieningen, leefbaarheid en draagkracht van een wijk? 
  • Hoe zorgen we dat we woningvraag benutten voor het creëren van een duurzame, goed bereikbare en inclusieve stad?

Wij constateren dat hier een discrepantie is tussen de vraagstelling bij de stadsgesprekken en bij de vraagstelling in het document.

De SGLA heeft al eerder een visie gepresenteerd op het gebied van wonen, zie http://www.sgla.nl/actueel/408-uitgangspunten-hoogbouw-sgla Deze notitie gaat niet alleen in op hoogbouw, maar vooral ook op leefbaarheid.

Wij verwijzen ook naar: http://www.sgla.nl/actueel/405-betreft-sgla-letter-of-recommendation waarin wij op veel onderwerpen onze visie voor de stad weergeven.

De SGLA kan zich overigens vinden in nieuwe woonlocaties als de Wagenwerkplaats, de Kop van Isselt en de Hoef.

Leefbaarheid, bevordering doorstroming en goede inpassing samen met bewoners staan voor ons voorop.

  1. Werken

Wij constateren opnieuw dat de opgave al wordt ingevuld en opnieuw vanuit de groeigedachte. De opgave lijkt ook weer geformuleerd te zijn vanuit de gedachte dat alles kan en moet. Wij zijn van mening dat juist ook op het gebied van werken gekeken moet worden naar bedrijven die aansluiten bij de werkzame bevolking.

De vraagstelling moet naar onze mening dan ook zijn: wat voor soort bedrijven is nodig om de inwoners zoveel mogelijk in Amersfoort te laten werken. De vervolgvraag is dan of het huidige aanbod daaraan voldoet.

Uit de stadsgesprekken komt o.a. naar voren dat er ruimte zou moeten worden gemaakt voor kleinschaliger  bedrijven en echt duurzame bedrijven die bereikbaar zijn met OV en fiets. Wij kunnen ons hierin vinden.

  1. Voorzieningen

U vraagt zich af hoe we aantrekkelijke voorzieningen kunnen behouden in de directe leefomgeving. Wij zien deze aantrekkelijke voorzieningen graag gedefinieerd.

De opgave zoals geformuleerd is:

Opgave: In verschillende wijken wordt op dit moment nog een tekort aan speelplekken en groen ervaren,

evenals bereikbare voorzieningen voor ouderen en meer plekken voor ontmoeting. Er wordt daarom

gestreefd naar de aanwezigheid van zorg/welzijnsvoorzieningen op wijkniveau (ook voor de binnenstad),

bij voorkeur bij elkaar.

Het is hierbij belangrijk om de juiste balans te houden tussen aantallen mensen en goede inrichting,

waardoor levendigheid en reuring geen hinder en overlast bezorgen. Ook het koesteren van de rijke historie van de stad is belangrijk.

Vervolgens worden deze vragen in het document voorgelegd:

  • Hoe zorgen we enerzijds voor aantrekkelijke voorzieningen met regionale uitstraling en functie en

anderzijds voor voldoende voorzieningen in de directe leefomgeving/in de wijk?

  • Hoe kunnen we de verschillende voorzieningen zo inrichten dat ze toegankelijk en bereikbaar zijn voor de doelgroepen en geen overlast veroorzaken voor de omgeving?

De vertaling naar de stadsgesprekken is vervolgens:

Vraag 1: Missen er (betaalbare) voorzieningen in jullie wijk of stadsdeel? Wat maakt het belangrijk om dit hier te hebben?

Vraag 2: Van welke voorzieningen is het prima als ze wat verder weg zijn? Waar moet het dan aan voldoen om het voor jullie bereikbaar en toegankelijk te maken

De SGLA is van mening dat de aanwezigheid van zoveel mogelijk dagelijkse voorzieningen de wijken aantrekkelijker maakt om lokaal te leven. Een diverse wijk met dagelijkse voorzieningen binnen een loopafstand van 20 minuten en toegang tot een fietsnetwerk en OV vergroot de kwaliteit van leven van 8 tot 80, voor jong en oud. We zien dit als kans om  welzijn van jong en oud via het lokale leven als uitgangspunt op te nemen in de omgevingsvisie over directe leefomgeving.

Onder dagelijkse voorzieningen verstaan we naast toegang tot actieve mobiliteit en OV ook zaken als gezondheidszorg, winkels, scholen, groen, toegankelijkheid voor minder-validen, diversiteit in woningaanbod, werkgelegenheid en betaalbare woningen. Hiermee vangt de buurt een groot aantal uitdagingen van de stad op.  

Grotere – niet dagelijkse -  voorzieningen als voetbalvelden, bioscoop, theater of zwembad hoeven

niet direct in de wijk te staan, zolang ze goed bereikbaar en toegankelijk zijn. Bij een groeiende stad hoort ook een passende groei van het cultureel aanbod. Dit vraagt om ruimte.

Wij kunnen ons in verder in de vertaling van de vraagstelling wel vinden. Wij zien ook dat hierdoor duidelijke antwoorden komen. Wij gaan ervan uit dat hierop in de uitwerking ook uitgebreid in gegaan zal worden. Wij zijn van mening dat de omgevingsvisie vanuit de wijken moet worden benaderd. Dus éérst kijken wat er op wijkniveau nodig is en wordt gemist. Vervolgens kijken wat er op stedelijk niveau nodig is.

  1. Verkeer en Vervoer

In het document worden de volgende vraagstukken geformuleerd:

  • Kan de stad groeien en goed bereikbaar blijven zonder meer ruimte voor auto’s te maken?
  • Is er genoeg ruimte om een goed functionerend fietsnetwerk aan te leggen door de hele stad met

aantrekkelijke fietspaden en comfortabele stallingen?

  • Hoe past ruimte voor de fiets en het OV bij de wens voor meer ruimte voor wonen, werken en groen?
  • Hoe kunnen we zorgen voor een duurzame maar vrije mobiliteitskeuze voor zowel bewoners als bezoekers?

De voorgelegde vragen in de stadsgesprekken:

Vraag 1: Wanneer zouden jullie wel kiezen voor andere vervoersmiddelen dan de auto?

Vraag 2: Wanneer zouden jullie niet kiezen voor andere vervoersmiddelen dan de auto?

Het lijkt er op dat goede bereikbaarheid in de vraagstelling gelijk wordt gesteld aan autobereikbaarheid. Dit terwijl we weten dat het terugdringen van de rijdende en stilstaande auto de bereikbaarheid in de stad verbetert. Zie bijvoorbeeld onderstaand overzicht over capaciteit en footprint per voertuig.

Als je ruimte wil maken in het stedelijk gebied voor al je ambities ontkom je er niet aan om de ruimte voor de auto in te dammen en die ruimte terug te geven aan groen, langzaam verkeer en verblijfs- en ontmoetingsmogelijkheden.  Bij een groeiend Amersfoort past ons inziens een inzet op een groter aandeel van de fiets, voetganger en het OV. Door in te zetten op een overstap van de huidige hoeveelheid automobilisten (bezoekers en bewoners) naar fiets, voetganger en  OV krijgt de overgebleven automobilist ook een betrouwbaardere reistijd. Hiervoor dient de stad dus vol in te zetten op meer mogelijkheden voor langzaam verkeer. Het fiets- en voetgangersnetwerk dient aantrekkelijker en toegankelijker te worden. Dat maakt de keuze voor deze vorm van duurzame mobiliteit ook eenvoudiger.

De kracht van Amersfoort met een prettig leefklimaat in de buurten moet versterkt worden door meer ruimte te creëren voor groen, fiets en voetganger en minder voor de, nu nog, prominent aanwezige auto. Daarbij geldt ook dat dagelijkse voorzieningen voor de bewoners in de buurten op peil moeten blijven. Succesvolle methoden van de autoluwe binnenstad kunnen naar onze mening op termijn opgeschaald worden in de wijken.

De SGLA heeft  onlangs een visiestuk over parkeerbeleid opgesteld, waarin vooral gekeken wordt naar de invloed van de auto op de openbare ruimte. Amersfoort is ondanks haar centrale ligging een koploper op het gebied van beschikbare openbare ruimte voor de auto. Hierdoor staat de leefbaarheid onder druk. Wij doen in ons visiestuk suggesties hoe daarmee kan worden omgegaan – onder meer middels beprijzing - en hoe ruimte kan worden teruggewonnen. In de reacties vanuit de stadsgesprekken zien wij een aantal dezelfde elementen terugkomen. Wij hebben onze notitie voorgelegd aan onze leden, die deze enthousiast ontvingen, en zullen deze notitie in januari 2020 aan u aanbieden.

Wij constateren dat de stad Amersfoort herkenbare uitbreidingswijken heeft, Kattenbroek, Nieuwland, Schothorst, Vathorst, die telkens qua infrastructuur zijn opgezet alsof zij het einde van de stadsgrens zouden blijven. Het resultaat is dat tegenwoordig de doorstroming vanuit het buitengebied naar het centrum geconcentreerd is op een klein aantal hoofdverkeeraders. Onafgebroken bebouwing, waterpartijen, snelwegen en spoorweg bemoeilijken de totstandkoming van een fijnmazige uitwisseling tussen wijken, wat absolute afstanden onnodig vergroot. Los van de inzet op het verminderen van deze barrières tussen wijken, zou de omgang met fijnmazige uitwisseling in de toekomst in een visie kunnen landen.

  1. Groen en Openbare ruimte

In het document wordt de volgende opgave en vraagstelling geformuleerd:

Opgave: Amersfoort heeft veel groen, maar de druk op de openbare ruimte neemt toe. Er komen meer mensen

die het gebruiken, die een woning nodig hebben en die ruimte willen om te werken en te verplaatsen.

Behoud van voldoende groen per Amersfoorter is een lastige puzzel, als er meer ruimte moet komen

voor wonen en werken. Tegelijkertijd biedt deze puzzel kansen, zoals voor het creëren van ruimte voor

ontmoeting, het vergroten van de leefbaarheid, woongenot, duurzaamheid en gezondheid.

Vraagstukken:

  • Kijkend naar de ruimtevraag voor wonen, werken en verkeer; hoe zorgen we voor voldoende

straat-, wijk- en stadsgroen?

  • Welke functies voor groen zijn met elkaar te combineren, bijvoorbeeld ecologisch groen en groen

voor wateropvang, of om te bewegen en te recreëren?

  • Wanneer is kwantiteit (oppervlakte en grootte) van belang voor groen en wanneer is kwaliteit

meer van belang?

  • Hoe zorgen we ervoor dat het buurt- en stadsgroen goed bereikbaar blijven zonder dat dit overlast

veroorzaakt voor omwonenden van dit groen?

De voorgelegde vragen in de stadsgesprekken:

Vraag 1: Wat moet groen in de straat jullie bieden?

Vraag 2: Wat moet groen in de wijk jullie bieden?

Vraag 3: Wat moet groen op fietsafstand jullie bieden?

Wij hadden graag gezien dat er ook vragen waren gesteld naar gebruik van de openbare ruimte, zoals bijvoorbeeld de vraag naar welk type ruimte men op wil geven om meer groen te realiseren.

Uit de samenvatting blijkt dat bewoners op élk niveau behoefte hebben aan voldoende groen om te zorgen voor:

  • Klimaatbestendigheid (waterberging, schaduw en verkoeling),
  • Luchtzuivering,
  • Geluidsopvang
  • Biodiversiteit.

Wij zien ook bij het onderwerp Identiteit veel nadruk terugkomen op voldoende groen. Er wordt ook teleurstelling uitgesproken over het feit dat minder geïnvesteerd is in groen dan voorheen: Amersfoort is minder groen geworden.

De SGLA pleit voor het ruim investeren in straat-, wijk- en stadsgroen. Wij willen dat er minder gekapt wordt voor het investeren in asfalt, dus behoud van groen. In de omgevingsvisie zou een groenkaart moeten worden opgenomen, waarop per wijk wordt aangegeven wat de waarde van het groen is en er dus in wordt geïnvesteerd. Uiteraard moet dat dan ook op stadsniveau gebeuren.

De SGLA heeft altijd aangegeven dat bouwen in het groen geen optie is. Wij verzoeken u om in de omgevingsvisie duidelijk de keuze voor groen te maken. In onze reactie (zie: http://www.sgla.nl/actueel/395-zienswijze-c-q-reactie-op-concept-20-april-2017-regionale-ruimtelijke-visie-rrv) op de Regionale Ruimtelijke Visie (RRV) hebben wij aangegeven van welke gebieden wij vinden dat zij onbebouwd moeten blijven.

 de uitleggebieden:

  • Hoogland West
  • Stoutenburg Noord
  • Vathorst Noord
  • Vathorst West

binnenstedelijk gebied:

  • Park Randenbroek
  • Park Schothorst
  • Elisabethlocatie
  • Klein Zwitserland
  • Birkhoven Bokkeduinen
  • Valleikanaalzone
  • Limvioveld
  • Groengordel Soesterkwartier
  • Het Waterwingebied
  • Groengordel Schuilenburg
  • Nimmerdor
  • Groenstrook tussen Hooglanderveen en Vathorst
  • Kop van Schothorst
  • Sportvelden en kleinschalige groenstroken bestemd voor sport en spel tussen woongebieden”

Wij verzoeken u dit concreet in de omgevingsvisie op te nemen. Een eventuele binnenstedelijke groenversterkingsambitie, waarbij ‘steen’ in de stad wordt vervangen door ‘groen’ juichen wij toe.

  1. Duurzaamheid

In het document staan de volgende vraagstukken benoemd:

  • Waar kunnen we ruimte vinden die nodig is voor de maatregelen voor een duurzame stad waarbij we

ook rekening houden met (en gebruik maken van) de natuur, de cultuurhistorie, het landschap en

woongenot en de opbrengst bij voorkeur binnen de stad blijft?

  • Hoe kunnen we duurzame energie zo combineren met andere functies of landschappelijk goed

inpassen zodat het bijdraagt aan de positieve beleving van een gebied?

  • Hoe zorgen we dat het nemen van duurzaamheidsmaatregelen aan de buitenkant van woningen

samengaat met het behouden of verbeteren van de beeldkwaliteit van een straat, wijk of landschap?

  • Hoe zorgen we dat materialen die vrijkomen (bijv. bij de sloop van gebouwen) een nieuwe bestemming krijgen?
  • Hoe zorgen we dat het voldoen aan de toenemende woningvraag bijdraagt aan een duurzame stad?

In de stadsgesprekken is dit vertaald in:

Vraag 1: Wanneer zouden jullie graag ruimte willen bieden voor duurzame energieoplossingen (opwekken, transporteren en opslaan)?

Vraag 2: Wanneer zouden jullie liever niet ruimte willen bieden voor duurzame energieoplossingen (opwekken, transporteren en opslaan)?

De focus in de huidige concept-visie lijkt volgens ons te liggen op hoe de aantrekkelijkheid van de stad benut kan worden voor groei. Waardeontwikkeling op de lange termijn zou wat ons betreft meer aandacht moeten hebben dan optimalisatie van groei op de korte termijn, met daarbij behorende verloederingsrisico’s. Deze brede duurzaamheidsgedachte is inmiddels in (bijna) alle sectoren doorgedrongen, maar mist nog in de visie.

  1. Landelijk Gebied

De vraagstelling vanuit het document:

  • Hoe kunnen we ruimte behouden voor de boeren (als beheerder van het landelijk gebied) en tegelijkertijd ruimte bieden voor de recreanten, de natuur en de energietransitie?
  • Hoe verbinden we de mensen uit de stad met de mensen in het landelijk gebied?
  • Hoe kunnen recreatie, natuur en energietransitie kansen bieden voor nevenactiviteiten voor de agrarische bedrijven?

Wij constateren dat deze vraagstelling in het geheel niet is voorgelegd in de stadsgesprekken.

De SGLA hecht grote waarde aan de openheid en het behoud van de landelijke gebieden. In het verleden (en mogelijk nog steeds) is door ontwikkelaars grond gekocht in deze gebieden met het oog op mogelijke woningbouw. Wij zijn van mening dat grondspeculatie niet beloond moet worden. De visie op deze gebieden is duidelijk: Behoud van en investeren in groen en (beperkte en kleinschalige) recreatiemogelijkheden.

De SGLA is van mening dat het inpassen van duurzame energie, zoals zonneweiden, alleen kan als dit  samen met bewoners zorgvuldig wordt ingepast.

Wat wij missen

Het proces om te komen tot een goede omgevingsvisie is belangrijk omdat dit nieuwe middel een grote rol zal spelen in de ruimtelijke ordening van de komende jaren. Wij willen daarom ook ingaan op onderwerpen die wij missen.

  1. Samenwerking in de stad

De omgevingsvisie komt voort uit de nieuwe omgevingswet. Een belangrijk uitgangspunt is daarbij een vroegtijdige betrokkenheid van de burger. Helaas moeten wij constateren dat de wet dit wel benoemt, maar niet regelt. Wij zijn daarom van mening dat al in de omgevingsvisie ruim aandacht moet worden geschonken aan hoe en wanneer de burger invloed kan uitoefenen op ruimtelijke processen.

De SGLA vindt dat vroegtijdigheid vanuit het stadsbestuur zou moeten komen:

  • We zijn nog zoekende en hebben u nodig om er wat van te maken’ (geen plan vooraf maken!).
  • Er is nog alle ruimte om belangrijke keuzes samen te maken (zowel op niveau van beleid, planvorming en vergunningen).
  • Meer kansen op ‘mee-koppelende belangen’, losmaken initiatief en eigenaarschap stad van keuzes faciliteren en de complexiteit vergroten om later in proces aan tempo en draagvlak te winnen.
  • De gemeente verzamelt met continue monitoring de feiten, de burger weegt de belangen af en bepaalt de prioriteit, de gemeente besluit uiteindelijk op transparante wijze hoe deze belangen meetbaar behartigt kunnen worden en monitort de effecten, zodat de burger kan controleren.

Wij zien de volgende mogelijkheden om de bewoners meer te betrekken:

  • Zorg in de wijken neerleggen voor de eigen leefomgeving (groen, veilig, ontmoeting, spelen,….)
  • Gebruik maken van de integrale blik van bewoners: problemen/kansen mee laten liften waar de overheid geen zicht op heeft.
  • Gebruik maken van de rijke verhalen over de (sociale) geschiedenis van plekken (‘betekenislagen’)
  • Zie de bewoners als Erfgoedbewakers.
  • Heb gevoel voor de kwetsbare balans tussen behoud en vernieuwing.
  • De bewoners weten hoe beleid averechts kan uitpakken en waar juist win-win/kantelpunt zit.
  • Gebruik Levendigheid en wees ook niet bang voor wat rommeligheid.
  • Ruimtelijke ontwikkelingen gebruiken als springplank om integraal problemen op te lossen.

  1. Wat kan de gemeente doen om niet in vrijblijvendheid te blijven steken?

Wij geven u graag een aantal aspecten mee die kunnen helpen om de vrijblijvendheid van de omgevingswet om te zetten in betrokkenheid van de burger. Wij verzoeken u dit al in de omgevingsvisie mee te nemen en uit te werken.

Uitgangspunten:

  1. Samen stad, gemeenschap en leefomgevingskwaliteit maken als norm.
  2. Vroegtijdig informeren en ontsluiten van kennis voor burger als hoge prioriteit.
  3. Bewoners (mede-)eigenaar maken en bewakers van omgevingsvisie en omgevingsplan.
  4. Meervoudige waarde creatie (duurzaam, sociaal, ruimtelijke kwaliteit, iets teruggeven aan de buurt) als norm bij planvorming en vergunningsverlening.
  5. Bevorderen dat bewoners met eigen plannen/alternatieven komen voor de openbare ruimte, gebiedsontwikkeling en vastgoed.

Maatregelen

  1. Ruimtelijke procedures doorlichten /aanpassen op kansen voor bewoners om vanaf een pril stadium mee te sturen.
  2. Burgerpanel opzetten om informatievoorziening over ruimtelijk beleid aanzienlijk te verbeteren.
  3. Omgevingsvisie-/plan vanaf de basis (straat/buurt/wijk) opbouwen en bewoners als lid gemeentelijke commissie opnemen.
  4. Verplichte buurtimpactscan bij ruimtelijke plannen en vergunningstrajecten.
  5. Open oproep aan bewoners om in een pril stadium van de planvorming met eigen plannen te komen voor opgaven (conform projectbesluit in omgevingswet). Deze verplichting bestaat vanuit de Omgevingswet niet voor Omgevingsplannen en Omgevingsvergunningen, maar wordt evenmin verboden.

  1. Bestuurlijke vernieuwing

De afgelopen jaren is er veel gesproken over bestuurlijke vernieuwing, het nieuwe samenwerken, starten voor de start etc. Toch zien we nog steeds dat processen in de stad vaak misgaan. Wij zijn van mening dat dit  te maken heeft met zowel de houding vanuit  de gemeente als die van bewoners. Willen we echt stappen maken en vooruitgang boeken, dan zal hier iets in moeten veranderen.

Te vaak zien wij nog dat alleen gereageerd mag worden op de postzegelplannen, maar niet op de strategische vraagstukken. De houding is vaak u mag meedoen, terwijl het eigenlijk zou moeten zijn: wij hebben u nodig. Het samenwerken om tot oplossingen te komen start met bewoners mede-eigenaar maken van vraagstukken in plaats van de bewoners te zien als lastig en slechts op te komen voor eigen belangen. De omgevingswet biedt kansen om juist hierop in te spelen.

De SGLA roept u op om aan dit onderwerp in de omgevingsvisie al aandacht te schenken. Tevens verzoeken wij u een en ander te bezien in historisch perspectief: van afnemende autoriteit van de overheid sinds de jaren ‘60/’70 van de vorige eeuw naar de toenemende behoefte onder burgers om te vertrouwen op de autoreit van de rechtelijke macht om overheidsplannen te controleren. Het is volgens de SGLA van het grootste belang dat decentrale overheden dit vertrouwen van de burger weer gaan terugwinnen.

Tot Slot

Wij beseffen dat het maken van de omgevingsvisie een nieuwe taak is die veel inspanning vereist. Wij willen met onze bijdrage eenzelfde inspanning leveren. Wij willen graag meedenken en helpen om tot een instrument te komen dat kansen biedt.

Wij zijn uiteraard graag bereid om ook in het vervolgproces daarover mee te denken. Tegelijkertijd wensen wij u sterkte met de uitwerking.

Namens

Samenwerkende Groeperingen Leefbaar Amersfoort

Namens het bestuur,

Peter de Langen, voorzitter

Vragen aan wethouder over Warmtenetten Amersfoort

Aan de wethouder Duurzaamheid

Mevrouw A.P.A.M Janssen

Stadhuisplein 1

Amersfoort

                                                                                                                                             Amersfoort, 15 oktober 2019

Betreft: warmtenetten Amersfoort

Geachte Wethouder, beste Astrid,

Op 8 oktober jl. werden tijdens een informatieve Ronde de raadsleden bijgepraat over de plannen en de ontwikkeling daarvoor van warmtenetten in onze stad. Na afloop van deze bijeenkomst nodigde u een van de SGLA-bestuursleden uit om, indien er binnen de SGLA nog nadere vragen bestaan bij de informatie die deze avond werd gegeven,  deze bij u in te dienen. Het SGLA-bestuur maakt graag gebruik van dit aanbod. Het heeft nog enkele aanvullende vragen die u hieronder aantreft. Het bestuur hoopt dat u op deze vragen kunt ingaan.

1.

Het college stelt voor de warmte-opwekking ten behoeve van een warmtenet gebruik te maken van geothermie (aardwarmte). Hiervoor moet nog veel onderzoek worden verricht zodat de start bij het gebruikmaken van geothermie nog zeker vijf jaar duurt. Gedurende een overgangsperiode moet voor de warmteopwekking gebruik worden gemaakt van biomassa. De uitwerking van dit voornemen houdt in dat de exploitant van het warmtenet/warmtecentrale vooreerst moet investeren in de bouw van een biomassacentrale om vervolgens na een relatief korte periode deze centrale te vervangen door een systeem van geotechniek. Dit komt in feite neer op een dubbele investering voor de warmtelevering. Verwacht het college dat een exploitant voor een warmtenet bereid is een dergelijke dubbele investering te realiseren, er van uitgaande dat dit niet extra hoge tarieven bij de afname van warmte oplevert?

2.

Het college heeft voor om begin 2020 zijn positie te bepalen, wat tot een collegevoorstel moet leiden. Dit voorstel en de rolbepaling door de raad moeten rond de zomer 2020 door de raad worden besproken. Daarna moet een traject van besluitvorming worden doorlopen. Indien bezwaren tegen het raadsbesluit uitblijven, kan eind 2020/begin 2021 met de realisatie van een warmtenet worden begonnen. Naast dit alles moeten wijkwarmteplannen voor een twintigtal wijken worden uitgewerkt die, voorafgaand aan een bestuurlijke vaststelling, stedelijk moeten worden besproken. De feitelijke realisatie houdt in: plannen bestek-klaar uitwerken, draagvlak verwerven, (Europees) aanbesteden. De ingebruikname van het (eerste deel) van het warmtenet is daardoor niet voor eind 2024 te verwachten. Is door deze procedure de streefdatum voor de gasafsluiting in 2030 nog haalbaar?

3.

Het gemeentebestuur gaat de komende jaren wijkwarmteplannen voor circa 25 wijken in de stad ontwikkelen. Indien deze plannen in concept gereed zijn en bestuurlijk moeten worden vastgesteld, wat is dan de status van deze plannen. Zijn deze vergelijkbaar met een bestemmingsplan waarvoor de gebruikelijke inspraakregels gelden? Of worden de wijkwarmteplannen (gezien hun impact) behandeld zoals dat voor de stadvernieuwingsplannen het geval was, waarbij de uitvoering afhankelijk is van ten minste 70% instemming van de buurtbewoners?

4.

De gemeente heeft voor het in exploitatie nemen van een warmtenet met de woningcorporaties de ‘033 samen duurzaam deal’ afgesloten. Gelden de afspraken die de gemeente met de corporaties maakte ook voor private partijen die complexen met huurappartementen exploiteren?

5.

Een aantal gemeenten, corporaties, bouwers en leveranciers die bij de energietransitie zijn betrokken, werken samen in het initiatief Stroomversnelling. Binnen Stroomversnelling worden ervaringen uitgewisseld, adviezen verstrekt en krachten gebundeld om de energietransitie op stedelijk niveau snel en efficiënt tot stand te brengen. Er zijn ongetwijfeld meer van deze samenwerkingsverbanden. Kent het Amersfoortse gemeentebestuur Stroomversnelling of andere soortgelijke initiatieven? En is het bereid te participeren binnen dergelijke initiatieven om bij het realiseren van de energietransitie, en in het bijzonder bij het realiseren van warmtenetten effectief te kunnen opereren?

6.

De raad heeft zich de afgelopen jaren zorgen gemaakt over de negatieve gevolgen van het stoken van open haarden. De wens is, dit zoveel als mogelijk te beperken, mede met het oog op de gevolgen voor de volksgezondheid. Het voornemen om voor stadsverwarming de verbranding van biomassa toe te passen staat haaks op de zorg die de raad de afgelopen jaren heeft uitgesproken over de kwaliteit van het milieu in onze stad. Deelt het college die mening?

7.

Essentieel voor het slagen van de plannen voor de energietransitie is het draagvlak in de stad. Tijdens de informatieve Ronde over warmtenetten is hieraan nauwelijks aandacht besteed. De aandacht beperkte zich tot het kunnen borgen van de betrokkenheid van inwoners indien de gemeente een actieve rol vervult bij het realiseren van een warmtenet. Er wordt opgemerkt dat directe deelneming (bij de ontwikkeling en/of exploitatie) door bewoners in Nederland weinig voorkomt. Een van de ontwikkelingsmodellen kan een maatschappelijke onderneming zijn waarbij deelneming van bewoners richting Deens model tot de mogelijkheden behoort? Wat is dat ‘Deens model’?

8.

De energietransitie, en daarbij voornamelijk de warmtevoorziening, zal voor veel bewoners ingrijpende gevolgen hebben en kan leiden tot extra lasten. Voor de pilot in Schothorst-Zuid heeft wel informatie plaatsgevonden waarbij veel vragen nog onbeantwoord zijn gebleven. In april werd de bewoners in Schothorst-Zuid toegezegd dat op 15 mei de warmtevisie voor hun wijk gereed zou zijn en de raad omstreeks de zomer besluiten zou nemen. Zo ver is het niet gekomen. Wanneer wordt de informatie in Schothorst-Zuid voortgezet en wordt er dan ook een helder beeld gegeven van Tarieven en overige kosten?

9.

Schothorst-Zuid moet worden gezien als een pilot. In welke fase van voorbereiding op een warmtenet worden de overige inwoners van onze stad betrokken en op welke wijze gaat dat plaatsvinden?

10.

In Schothorst-Zuid is een pilot ontwikkeld voor tien woningen. De pilot vindt plaats onder regie van Klimaat Missie Nederland (een Amersfoorts initiatief). Dit bedrijf heeft een tweede pilot gepland van zeven woningen in Vathorst. De zin van een pilot is dat bewoners die hun woning gereed willen maken voor het afkoppelen van gas, gebruik kunnen maken van de ervaringen die in de pilot(s) zijn opgedaan. Is de gemeente betrokken bij de uitvoering van de pilot(s)en zo ja: is de ontwikkeling van de pilot(s) geprotocolleerd en is de gewenste output omschreven?

11.

Tijdens de in april gehouden informatiebijeenkomsten in Schothorst-Zuid zijn verschillende antwoorden gegeven op de vraag of bewoners verplicht kunnen worden tot aansluiting op het warmtenet. Een uitgestelde keuze kan complexe extra kosten bij een later gewenste aansluiting opleveren. Wordt er uitgegaan van een verplichte aansluiting in de gebieden waar een warmtenet wordt aangelegd?

12.

Nutsbedrijven brengen kosten in rekening voor het afsluiten van gaslevering en, waar deze zelf warmtenetten exploiteren, het aansluiten op een warmtenet of het afsluiten daarvan. Is het college voornemens om met de nutsbedrijven afspraken te maken dat in het kader van de warmtetransitie dergelijke kosten niet in rekening worden gebracht?

13.

Bij de introductie van een warmtenet wordt vaak het principe ‘Niet meer dan anders’ gehanteerd. Dit principe past moeilijk bij toekomstige ontwikkelingen zoals stijgende gasprijzen en kan voor gebruikers ongunstig uitwerken indien geen rekening wordt gehouden met het isoleren van woningen. Welke maatregelen staan het college voor ogen om na overstappen op een warmtenet de kosten van gebruikers te beperken en daarmee het draagvlak voor de energietransitie te vergroten?

14.

Het onderzoek naar de toepassing van geotechniek op grote schaal moet nog beginnen. De verwachtingenzijn hoog gespannen. In het slechtste geval is de levering op grootschalige wijze van aardwarmte niet mogelijk door capaciteitsproblemen en kan een WKO-systeem niet worden toegepast bij ondergrondse waterverplaatsing, bijvoorbeeld door kwel vanuit de Veluwe of de Utrechtse Heuvelrug. Gas en biomassa zijn ongewenst. Welke mogelijkheden voor het voeden van een warmtenet zijn dan nog aanwezig?

15.

De raad heeft zich door middel van een motie tegen het gebruik van biomassa uitgesproken. Het voorbehoud dat zij heeft tegenover biomassa is onlangs bevestigd door een internationaal onderzoek van de European Academies Science Advisory Council (EASAC). De directe en indirecte CO2-uitstoot van biomassacentrales komt vrijwel overeen met de uitstoot van fossiel gevoede centrales. Betrekt het Amersfoortse gemeentebestuur deze constatering bij zijn keuze voor tijdelijke inzet van biomassa?

16.

Regelmatig wordt de ontwikkeling van waterstof als vervanging van aardgas als ideale oplossing gepresenteerd. Uit ervaringen tot nog toe blijkt echter dat het toepassen van waterstof als vervanging voor aardgas kostbaar en inefficiënt is. Feitelijk is er nog weinig bekend over het toepassen van waterstof. In hoeverre ziet het gemeentebestuur waterstof als serieus alternatief voor het gebruik van aardgas?

17.

De aanleg van een warmtenet vormt een omvangrijke ingreep in de ondergrondse infrastructuur van de stad. De aanleg is qua werk en overlast te vergelijken met het vervangen van riolering in de bestaande stad. Afgelopen zomer heeft het Kabinet een brief aan de Tweede Kamer verstuurd waarin wordt gewaarschuwd voor de extra overlast en mogelijke schade door de aanleg van warmtenetten. In Amersfoort hebben rioleringswerkzaamheden op verschillende plekken in de stad steeds tot grote overlast - voor bewoners en bedrijven - geleid waarbij regelmatig is gebleken dat het plannen van werken in de openbare weg niet altijd succesvol is. Een middel om deze overlast zo veel als mogelijk te beperken is het ‘werk maken met werk’. Daarbij worden ondergrondse onderhoudswerkzaamheden van diensten en bedrijven zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. De planning voor de aanleg van een warmtenet zou hierbij leidend moeten zijn, de gemeente zou hierbij directie-voerend moeten optreden. Heeft het gemeentebestuur inzicht in de planning van onderhoud door nutsbedrijven op lange termijn? En is de gemeente bereid en in staat om door een systeem van algemene directievoering tot gecoördineerde werkzaamheden in de openbare weg te komen?

18.

De warmtebedrijven in Amsterdam en Rotterdam zijn in grote financiële moeilijkheden beland. Dit kost de betrokken gemeentebesturen tientallen miljoenen euro aan inzet van openbare middelen. Indien de gemeente Amersfoort het warmtenet zelf in exploitatie neemt, hoe beschermt het gemeentebestuur de stad tegen problemen zoals die zich in Amsterdam en Rotterdam hebben voorgedaan?

19.

Gezien de financiële risico’s lijkt de voorkeur van het gemeentebestuur uit te gaan naar het betrekken van marktpartijen bij het realiseren warmtenetten in onze stad. De kans is reëel dat deze de discussie over en vaststelling van de nieuwe warmtewet afwachten. Deze kan grote invloed hebben op het verdienmodel van private ondernemingen. Indien marktpartijen een afwachtende houding aannemen, is het gemeentebestuur dan bereid om geduld uit te oefenen of neemt het dan een definitief besluit om structureel op biomassa over te gaan dan wel zelf leidend te worden bij het ontwikkelen van een warmtenet en het financiële risico hiervan geheel of gedeeltelijk op zich te nemen?

20.

In Vathorst-Laak voedt een gasgestookte warmtebron, geëxploiteerd door Eneco) een warmtenet voor circa 1.750 woningen. Wordt dit systeem op een stedelijk warmtenet aangesloten en zo ja, op welk tijdstip vindt dit plaats: gedurende de met biomassa gestookte overgangsfase of na het in gebruik nemen van een geothermische voedingsbron?

21.

Het Warmtebedrijf Amersfoort gaat twee biomassacentrales in gebruik nemen: in De Hoef en De Isselt. De centrale in De Hoef krijgt een capaciteit van 7.000 aansluitingen. Worden de warmtenetten van het Warmtebedrijf Amersfoort na voltooiing van het, op basis van geotechniek ontwikkelde, stedelijke warmtenet in dit stedelijke net geïntegreerd?

22.

Welke eisen stelt het gemeentebestuur aan toekomstige private exploitanten van warmtenetten?

23.

Amersfoort telt een groot aantal kleinschalige WKO-systemen: 40 open systemen en ca. 280 gesloten systemen. Gaan deze systemen onderdeel uitmaken van het stedelijke warmtenet?

24.

De door het Warmtebedrijf Amersfoort geëxploiteerde en nog te exploiteren met biomassa gestookte warmtenetten zijn feitelijk nutsvoorzieningen waar de gemeente uiteindelijk voor verantwoordelijk is. Indien dit warmtebedrijf niet meer in staat is haar biomassacentrales te exploiteren, bijvoorbeeld door een faillissement, is de gemeente dan verplicht deze nutsvoorziening onder eigen regie voort te zetten?

25.

Tijdens de informatieve bijeenkomst van de Ronde werd gesteld dat, indien de gemeente als ontwikkelaar/exploitant van het te ontwikkelen warmtenet optreedt, er een investering noodzakelijk is van 450 miljoen euro, waarvan 250 miljoen euro Infra. Dergelijke kosten ontstaan ongetwijfeld ook indien het warmtenet door een of meer private partijen wordt ontwikkeld en geëxploiteerd. Kan het college meer informatie verstrekken over de noodzakelijke investeringen voor een warmtenet en de lasten die daaruit voortvloeien voor de gebruikers van het warmtenet?

26.

Er wordt verwacht dat met niet-infrawerkzaamheden zo’n 200 miljoen euro aan investeringskosten is gemoeid. Welke kosten worden uit dit bedrag gedekt en ligt aan de berekening hiervan een businesscase ten grondslag? Wat zijn de afschrijvingstermijnen en rentepercentages die in deze case zijn opgenomen?

27.

Vaak wordt gesteld dat het aanleggen van een warmtenet de laagste maatschappelijk kosten vergt. Beschikt het gemeentebestuur, op basis van harde cijfers, over voldoende inzicht in de maatschappelijke kosten die ontstaan bij de verschillende mogelijkheden tot het beëindigen van de levering van aardgas?

28.

De bestuurlijke en technische voorbereiding voor het warmtenet op basis van biomassa vindt gelijktijdig plaats met het onderzoek voor het toepassen van geotechniek voor de warmtelevering. Deze kan in 2023 zijn afgerond. Omstreeks 2023 vindt ook de discussie en besluitvorming plaats over de nieuwe Warmtewet. Deze nieuwe wet kan ingrijpende gevolgen hebben voor het beheer en de exploitatie (tariefstelling) bij het realiseren van warmtenetten. Mogelijk vormt deze wet ook de basis voor rijksbijdragen of andere vormen van financiering. Is het daarom niet verstandiger om het vergaren van nadere technische kennis (Geotechniek) en het vernieuwde rijksbeleid af te wachten zodat bij het realiseren van warmtenetten direct gebruik kan worden gemaakt van geotechniek en de – milieutechnisch minder aantrekkelijke – tussenstap met biomassa over te slaan?

Met vriendelijke groeten,

Namens Samenwerkende Groeperingen Leefbaar Amersfoort (SGLA)

Raphaël Smit  vicevoorzitter SGLA

c.c. leden gemeenteraad

c.c. pers

Inspreken SGLA 1 juli 2019. Opmerkingen bij reactie-nota en hoogbouw visie:

Inspreken SGLA 1 juli 2019. Opmerkingen bij reactie-nota en hoogbouw visie:

Geachte Raadsleden,

Over het proces om deze hoogbouwvisie en reactienota te behandelen heeft de SGLA u al geschreven. Wij vinden het uitermate onzorgvuldig. Het is ons een raadsel hoe u de controlerende taak kunt uitvoeren, zonder kennis te nemen van de 80 reacties.

Nu u als Raad toch deze Ronde houdt en de nota behandeld, hierbij een aantal opmerkingen

 

  • VERZOEK TOT AANPASSING VAN DE NOTA
  1. Wat nog immer lijkt te ontbreken, is de notie dat het eerst en vooral dient te gaan om het realiseren van stedelijke kwaliteit. Dat moet voorop staan. De hoogbouw-effect-rapportage moet daarom niet een instrument zijn om te toetsen of een plan goed genoeg is, maar om te beoordelen of het de absolute ondergrenzen haalt om een plan überhaupt in overweging te willen nemen. Dit komt nog onvoldoende uit de verf, wij verzoeken u dit aan te passen.
  2. Hoogbouw kan verdichten, maar verdichten kan zonder hoogbouw. Goed dat dit wordt onderkend in de reactie-nota (pag. 4). Wij hebben aangegeven dat bij de structuur van Amersfoort eigenlijk 8 hoog normaliter de grens zou zijn. Het zou goed zijn, op momenten dat je hoger wil dan 8 of 9 hoog, om als onderdeel van een startnotitie ook een variant uit te werken waar je kijkt hoe je in een plangebied tot dezelfde dichtheid kan komen met maximaal 8-9 lagen. Wij verzoeken u dit als voorwaarde bij elk hoogbouwplan toe te voegen
  3. Goed dat er onderkend wordt dat criteria ook voor kantoren zouden moeten gelden. Wij merken op dat menging in de nota vooral lijkt te gaan over verschillende typen woningen, maar dat menging ook kan gaan over verschillende functies, bijvoorbeeld scholen op de onderste verdiepingen met woningen erboven, of een toren met de helft woningen en de bovenste helft een hotel. Dit komt nog onvoldoende in de nota terug.
  4. Overigens gaat het niet zozeer erom dat hoogbouw meerwaarde moet opleveren, maar dat je hoogbouw zo moet ontwerpen dat het een openbare ruimte oplevert met meerwaarde. Dat gaat dus verder dan de vrij simplistische en een-dimensionale uitleg die gegeven wordt in de reactie-nota (pag. 4), bijvoorbeeld bij het Valleikanaal of de Hoef. Dit zou een vast onderdeel in de beoordeling moeten zijn.
  5. De opmerkingen over hoogbouw als herkenningspunt is irrelevant. Dat mag nooit een reden zijn om hoogbouw neer te zetten. Immers, het doet helemaal niets op maaiveld, waar de stedelijke kwaliteit wordt gecreëerd. Als je nou zorgt voor voldoende kwaliteit, zodat hoogbouw een goede optie is, komt dat herkenningspunt vanzelf. Je kan die toren immers niet camoufleren.
  6. Er wordt (pag. 7 reactienota) gesteld dat er meerdere malen gesteld is dat naar de wijdere omgeving gekeken dient te worden. Als reactie gaat de gemeente vervolgens dit per gebied beschrijven. Daar is op zich niets mis mee, maar dit lijkt een gevalletje “missing the forest for the trees.” Het gaat erom dat dit altijd onderdeel zou moeten zijn van de manier van werken. Verder kijken dan het plangebied en ook beschouwen wat het doet op stedelijke schaal, en bij het bekijken van de gevolgen voor het plangebied, dit samen met bewoners doen.
  • PARKEREN EN MOBILITEIT
  1. Waar het gaat om de reactie op mobiliteit (pag. 5 reactienota), valt op dat de fiets in het geheel niet genoemd wordt. Daarnaast wordt alleen gekeken naar OV-knooppunten om te zien of OV-gebruik kan leiden tot lagere automobiliteit. Waar niet naar wordt gekeken (of hier niet genoemd) is of je door een goede inpassing en locatiekeuze hier niet al iets kan doen. Concreet:B) leidt hoogbouw op een bepaalde locatie tot een toename van fietsverkeer die aanleg van nieuwe, directere fietsverbindingen in de stad opportuun maken?
  2. C) In hoeverre kunnen we door hoogbouw een wijk wandelbaarder en fietsbaarder maken, door specifieke voorzieningen toe te voegen?
  3. A) leidt hoogbouw op een bepaalde locatie tot de mogelijkheid nieuwe OV-verbindingen te creëren of bestaande frequenties te verhogen?
  4. Er lijkt tekstueel sprake (pag. 2 reactienota, pag. 8 hoogbouw-visie) van een gelijkschakeling van bereikbaarheid/ mobiliteit met autobereikbaarheid/ automobiliteit. Laten we wel zijn, hoogbouw creëert geen probleem van bereikbaarheid perse, het creëert een probleem voor autobereikbaarheid. Voor andere soorten bereikbaarheid (bijv. OV) creëert het juist kansen. Dus laten we de problemen ook zo benoemen i.p.v. autobereikbaarheidsproblemen te verstoppen onder de algemene noemer bereikbaarheidsprobleem.
  5. Er is ook nauwelijks sprake van een afweging tussen bereikbaarheid en parkeerbehoefte en de beschikbare woningen en groen, althans deze is te simplistisch. Er is wel sprake van een afweging tussen 4 variabelen:- de mate waarin je daarin bereid bent tegemoet te komen (het creëren van parkeren trekt auto’s aan)- de hoeveelheid ruimte die beschikbaar is
  6. - de mate waarin je bereid bent geld uit te trekken om de impact te verminderen (ondergronds is duurder)
  7. - de doelgroepen voor wie woningen bedoeld zijn en hun autogebruik
  8. Als je dan toch iets moet doen voor auto’s; kan je voor parkeergelegenheid gebruikmaken van overcapaciteit en dubbelgebruik van bestaande locaties (combi met garage bestaande kantoorlocatie bijvoorbeeld)? Pas daarna moet je gaan nadenken over auto ingrepen, waarbij parkeren ten allen tijde inpandig en zoveel mogelijk ondergronds opgelost wordt.
  9. Het plaatje op pagina 7 (hoogbouw-visie) is kul. Plaatje 3 creëert niet de meeste ruimte want de helft is al weg aan parkeerplaatsen. Het laat vooral zien hoe parkeergelegenheid je ruimte opeet als je de hoogte ingaat (bij middelhoog- of hoogbouw).
  10.  
  • SLOTOPMERKINGEN
  1. Bij de opmerkingen over hoogbouw als middel en geen doel (pag. 4 reactienota) is geen kadertje opgenomen met hoe dit tot veranderingen in de nota heeft geleid!
  2. Kosten voor hoogbouw: er wordt internationaal geëxperimenteerd om private partijen meer bij te laten dragen naarmate er meer verdicht of hoger gebouwd wordt. Immers, meer bebouwde m2 levert meer privaat meer geld maar vraagt meer publieke investeringen om tot hoge ruimtelijke kwaliteit te komen. Een mechanisme om die private winsten en publieke kosten met elkaar in evenwicht te brengen zou goed zijn.

Uitbreiding bestuur SGLA

 

 

De algemene ledenvergadering van de SGLA heeft besloten het bestuur van deze vereniging uit te breiden. De SGLA is een samenwerkingsverband van zo’n twintigtal bewonersgroepen en milieuorganisaties die zich bezighouden met de invulling en de kwaliteit van de leefomgeving in Amersfoort en omstreken. Het SGLA-bestuur heeft de afgelopen tijd veel werk verricht – zoals de discussie over de westelijke ontsluiting, de hoogbouwvisie, verschillende nieuwbouwprojecten in de stad, maar ook de kwaliteit van de participatie binnen het openbaar bestuur.

De komende jaren moet de SGLA haar aandacht ook richten op een aantal nieuwe ontwikkelingen of de uitbreiding van bestaand beleid. Te denken valt daarbij aan het parkeerbeleid, de energietransitie, het Deltaplan Wonen en de Omgevingsvisie. Het SGLA-bestuur reageert daarbij op nieuwe ontwikkelingen maar geeft ook ongevraagd advies, voornamelijk bij zaken die haar leden aangaan.

Om alle voorziene taken te kunnen vervullen, is het bestuur van de SGLA uitgebreid met drie leden. Dit zijn Frank Kwanten, Chris Mooiweer en Daan Valkenburg. Alle drie waren op verschillend gebied al actief in onze stad. Hun ervaringen en kennis vormen een welkome, zo niet noodzakelijke aanvulling op het werk van het bestaande bestuur en zijn leden.

Hieronder vindt u een drietal korte bijdragen waarmee de nieuwe bestuursleden van de SGLA zich voorstellen.

Frank Kwanten

Foto copyright Eva Broekema

Ik ben in 2015, door het werk van mijn partner, in Amersfoort komen wonen. De (nabije) natuur, voorzieningen en buurtjes maken Amersfoort tot een heerlijke gemeente en een goede thuishaven voor mijn jonge gezin. Sinds ik in Amersfoort woon, heb ik gezien hoe politici, ambtenaren en bewoners zich bevlogen inzetten voor het bevorderen en het behoud van het woonklimaat. Als ondernemer buiten Amersfoort vind ik het belangrijk om ook een positieve bijdrage te leveren dichtbij huis. Dat kan met de SGLA. In de afgelopen maanden beleefde ik al hoe de SGLA, haar leden en talloze andere bewoners voeding geven aan het debat en het beleid in de stad. Ik geloof dat bij de uitdagingen binnen de gemeente belangen vaak dicht bij elkaar liggen en dat de uitkomst van de discussie die vaak wordt gevoerd beter is indien een probleem van allerlei kanten wordt belicht. Daar zet ik mij de komende tijd vanuit de SGLA voor in.

Daan Valkenburg

De afgelopen maanden liep ik al ‘achter de schermen’ mee in het bestuurswerk van de SGLA. Sinds de laatste algemene ledenvergadering van de SGLA ben ik formeel bestuurslid van de vereniging. Na mijn studies milieumaatschappijwetenschappen en milieurecht, heb ik gewerkt als consultant, bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, bij de gemeente Kampen, een aantal omgevingsdiensten, de provincie Flevoland en nu bij het ingenieurs- en adviesbureau Arcadis. Samen met mijn vrouw Mickey (orthopedagoge) en dochter Fabiënne (3 jaar) woon ik in Hooglanderveen. Mijn hobby’s zijn reizen – vooral Oost-Europa – zeilen en moderne natuurkunde. Van nature werk ik vanuit een inhoudelijke doorgronding naar een oplossing toe. Werkzaamheden waarbij soms gepiekt moet worden, geven mij energie.

Chris Mooiweer

Sinds 4 jaar woon ik met mijn vrouw en zoontje (2) in Kruiskamp. We genieten als gezin met volle teugen van de nabijheid van de terrasjes in de stad, de bossen bij den Treek en als fietser van de klimmetjes op de Heuvelrug. Graag zet ik mij via de SGLA in om de leefbaarheid van Amersfoort verder te bevorderen. Ik ben ervan overtuigd dat met maken van heldere, integrale keuzes, het versterken van het gebruik van feiten in besluitvorming en het op waarde schatten van de inbreng van bewoners in participatietrajecten we ook voor toekomstige bewoners Amersfoort aantrekkelijk kunnen houden. In het dagelijks leven ben ik werkzaam als zelfstandig bedrijfsadviseur. Eerder was ik raadslid en wethouder in de Gemeente Delft en vervulde ik directiefuncties in organisaties die zich op verschillende manieren bezig hielden met innovaties op het gebied van duurzaamheid.

Het totale bestuur van de SGLA bestaat nu uit 7 personen:

Peter de Langen, voorzitter; Raphaël Smit, vicevoorzitter; Mariëtte den Hartog, secretaris;

Geurt Hilhorst, penningmeester; Frank Kwanten, bestuurslid; Daan Valkenburg, bestuurslid;

Chris Mooiweer, bestuurslid

Op de website www.sgla.nl kunt u de actuele informatie volgen.